Anthony Trollope in Nederland (1862) 

meer uitgebreide versie van het artikel van Albert van der Zeijden in Ons Amsterdam (juni 2001) 184-187.

 

De fameuze Engelse romanschrijver Anthony Trollope was in september 1862 een weekje in Holland, waarbij hij onder andere Den Haag en Amsterdam bezocht. Hij kwam hier om de Nederlandse meesters te bekijken, maar en passant bezocht hij ook de Amsterdamse kermis. In het beroemde Cornhill Magazine deed hij er verslag van. Het is een vermakelijk stuk waarin de Nederlanders een spiegel krijgen voorgehouden. Trollope beschrijft Amsterdam als zeer pittoresk, maar ook als een stad met heel veel herrie en stank.

Levendig

In Engeland en Amerika is de naam van Anthony Trollope (1815-1882) nog steeds een begrip. Dit blijkt alleen al uit het feit dat er in de afgelopen tien jaar maar liefst vier lijvige biografieën over hem verschenen. Trollope was een kleurrijke figuur. Hij werkte bijna zijn leven lang bij de Engelse posterijen. Het was zijn grote verdienste dat hij daar de brievenbus introduceerde, waardoor je niet langer naar het postkantoor hoefde om je brief te posten. Er zijn schrijvers met een minder blijvende nalatenschap.

Trollope publiceerde een kleine vijftig, vaak buitengewoon lijvige romans. Maar hij schreef ook reisverhalen en biografieën over Thackeray, Cicero en Palmerston. Hij haalde deze hoge productie door elke dag vroeg op te staan en al vóór zijn ontbijt enkele uren achter zijn bureau plaats te nemen. In zijn Autobiografie schrijft hij dat hij daarbij zijn horloge op tafel legde en zichzelf de eis stelde elk kwartier minstens 250 woorden te schrijven. Ook tijdens zijn vele trein- en bootreizen, als inspecteur van de posterijen moest hij regelmatig op pad, was hij voortdurend aan het schrijven. In een berucht geworden uitlating noemde hij het schrijverschap een ambacht dat te vergelijken is met dat van de schoenmaker, waarbij het er om ging zo zorgvuldig mogelijk het stiksel aan te brengen. Het deed zijn reputatie weinig goed bij mensen die een meer verheven visie op het schrijverschap hebben.

Trollope maakte zich nooit druk over de plot of de intrige. Een boek van Trollope moet je dan ook niet lezen om het verhaal maar om de karaktertekening, die altijd levensecht is. Zoals een Nederlandse recensent in 1870 constateerde: ``In waarlijk zeldzame mate bezit Trollope de gaaf om zijne personen zoo aanschouwelijk voor te stellen, dat wij als met hen leven en denken en gevoelen, blij zijn wanneer ’t hen wèl gaat, droevig zoodra hun leed overkomt.’’ De romans spelen vaak in sociaal afgegrensde groepen, zoals zijn beroemde reeks over het fictieve Engelse plaatsje Barchester, met zijn kathedraal die gemodelleerd is naar de kathedralen van Salisbury en Winchester. Daarbij ging het hem niet zozeer om het spirituele leven van zijn kerkelijke personages maar juist om het sociale busy body gedoe en de onderlinge ditjes en datjes die elk mensenleven kenmerken. In bijna elk van Trollope’s romans speelt verder de liefde een hoofdrol. Het zijn romantische verhalen waarin de jonge heldin allerlei maatschappelijke moeilijkheden moet overwinnen voordat zij met de man van haar dromen kan trouwen. Drakerige liefdesverhalen dus, geen wonder dat Trollope door de intelligentsia niet altijd serieus genomen werd. In De Gids werd Trollope ooit in de hoek gezet als een schrijver ``die de hoofden en harten vullen met onbeduidendheid en beuzelingen’’, hoewel de recensent (Simon Gorter, de vader van de tachtiger Herman Gorter) moest erkennen dat Trollope daarbij ``een levendige stijl’’ hanteerde en dat zijn boeken ``aangenaam genoeg geschreven zijn’’.

Deze auteur met de vloeiende schrijfstijl kwam in 1862 op bezoek in Holland.

Humbug!

In de negentiende eeuw was Nederland voor veel Engelsen geen vanzelfsprekende reisbestemming: het vlakke landschap vormde voor hen bepaald geen attractie. En Holland was voor hen ook niet zo makkelijk te bereiken. Trollope vertelt dat hij maar liefst achttien uur onderweg was, met de stoomboot van Londen naar Rotterdam: het waren ``eighteen hours of steamboat misery’’. Gelukkig dat de interessante plekken allemaal dicht bij elkaar lagen. Voor hem zijn dat Rotterdam, Den Haag, Leiden, Haarlem en Amsterdam, de plaatsen die hij tussen 13 en 23 september 1862 tijdens zijn korte tripje door Holland aandeed. Trollope was ook nog even in Broek in Waterland, een plaatsje dat toen al blijkbaar een onvermijdelijke reisbestemming was voor elke buitenlandse toerist. Het viel hem enorm tegen. Hij klaagt dat je er voorturend op sleeptouw wordt genomen door gidsen, die hij consequent weigerde te betalen. Ze zullen, zo vermoedt hij, wel boos op hem geweest zijn. Omgekeerd was Trollope boos op Broek. Het toeristische karakter irriteerde hem: allemaal humbug!

Over de Nederlanders zelf wil hij ondertussen enkele vooroordelen wegnemen. Dat iedere Hollander een dronkaard of een moordenaar is (de Nederlanders hadden blijkbaar nogal een reputatie in Engeland) blijkt ontzettend mee te vallen. En dik en plomp zijn ze ook niet allemaal. Eigenlijk lijken ze volgens Trollope opvallend veel op Engelsen, al zijn ze gemiddeld een stuk kleiner en hebben ze de absurde gewoonte om Franse hoeden te dragen. Trollope: ``Put on his head a hat made in England, and you will take him for an Englishman a little undersized’’.

Hoe klein de Hollanders waren ervaart hij als hij een stukje wil gaan zwemmen in de zee bij Scheveningen. Hij is onder de indruk van de koetsjes die de badgasten ongezien naar de waterlijn moeten brengen. Ze zijn veel netter en beter gemaakt dan hij in Engeland gewend is. Maar het gereedliggende badkostuum blijkt veel te klein, waarop Trollope besluit om naakt te gaan zwemmen. Al snel merkt hij dat iedereen op het strand in rep en roer is en hij denkt dat dit komt omdat hij niets aan heeft. De echte reden is dat de Hollanders zich ongerust maakten omdat hij te diep ging. ``Your Dutchman, who no longer drinks deep as the rolling Zuider Zee, does not bathe much deeper than he drinks.’’

Een andere merkwaardige gewoonte ervaart hij als hij in de gereformeerde kerk een dienst bijwoont. De door zijn klerikale romans bekend geworden schrijver vindt het merkwaardig dat alle mannen in de kerk hun hoed ophouden. En dat de vrouwen tijdens de dienst voortdurend op luide toon met elkaar zitten te kwekken. Trollope vindt de Nederlanders überhaupt erg luidruchtig, zoals hij ook ervoer tijdens zijn bezoek aan de beurs en aan de kermis. Op de kermis maakten de Nederlanders zelfs tot diep in de nacht herrie, zonder overigens dronken te zijn. Trollope constateert het met nadruk. ``Men and women with loud screams rushed hand in hand through the streets, catching excitement from each other, till they moved along with the fury of bacchanals. But yet there was no drunkenness; and as far as I could tell, no other evil was produced than nights made sleepless by noise and streets made impervious by crowds.’’

 

Het land van Rembrandt

Trollope’s hoofddoel vormde ondertussen de ook in het buitenland op dat moment al zeer vermaarde Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Trollope bezoekt in Den Haag en Amsterdam de bekende highlights, die ook nu nog highlights zijn: De Stier van Paulus Potter, Van der Helst’s Schuttersmaaltijd, en een reeks van schilderijen van Gerard Dow (= Gerrit Dou), waarvan een jong meisje die met een mandje uit het venster reikt op Trollope de meeste indruk maakte. De onverbeterlijke flirt Trollope schrijft dat alleen al dit bevallige meisje een bezoek aan Holland meer dan waard maakt. Van de meest bekende van alle schilders Rembrandt, de verpersoonlijking van de zeventiende-eeuwse realistische Nederlandse schilderkunst, noemt hij De Anatomische les van dr. Tulp en, vanzelfsprekend, de Nachtwacht. Daarbij wel de opmerking dat hij de Nachtwacht slecht belicht vond en op een onhandige plaats opgehangen. Het `Rijksmuseum van schilderijen’ was toen nog gevestigd in het Trippenhuis, door Victor de Stuers later in zijn beroemde artikel `Holland op zijn smalst’ gekarakteriseerd als een pakhuis met voorwerpen die ``op de meest onpraktische wijze op elkaar gestapeld [zijn], geen ruimte, geen licht’’. Ook de collectie zelf viel Trollope wat tegen. Diverse Engelse musea zouden meer en betere Hollandse meesters bevatten, waarbij hij onder andere Albert Cuyps Gezicht op Dordrecht noemt, in een privé-collectie in Londen.

De zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst was beroemd door zijn huiselijkheid, eenvoud, eerlijkheid en burgerlijkheid. Dat zal ook precies Trollope hebben aangetrokken, Trollope portretteerde in zijn boeken immers ook bij voorkeur tafereeltjes uit het alledaagse leven. Maar in zeker opzicht waren de Nederlandse meesters niet levensecht genoeg. De schuttersstukken van Van der Helst en van Rembrandt vond hij bijvoorbeeld te rommelig en te weinig samenhang vertonen. Op zichzelf waren de schutters ieder voor zich geslaagd als portret. Maar als compositie was het teveel een samengeraapt groepje. Een zelfde kritiek had hij op de anatomische les van Rembrandt.

 

In de draaimolen

Trollope bezocht Amsterdam zoals gezegd in de maand september. De doorgewinterde kermisliefhebber weet dat september de maand was van de Amsterdamse kermis. Over de negentiende-eeuwse Amsterdamse kermis is reeds veel geschreven. Als bronnen worden meestal contemporaine krantenberichten gebruikt, maar soms ook reisverslagen van buitenlandse bezoekers. Buitenstaanders zien vaak dingen die ons zelf ontgaan juist omdat ze zo gewoon en alledaags zijn.

In de negentiende eeuw zag de kermis er heel anders uit dan wij nu gewend zijn. Je had nog niet de grote mechanische attracties, de botsauto’s en de goktenten. Wat had je wel? Trollope noemt als belangrijkste attractie de ambulante theatertjes in allerlei afmetingen, waarin toneelspelers hun kunsten vertoonden. Hij probeerde zo’n voorstelling bij te wonen, wat hem echter niet lukte omdat hij en zijn vriend, zijn collega bij de post John Tilley, als buitenlanders herkend werden. Trollope was dan ook een opvallende figuur met een rijzige gestalte en een markante baard terwijl hij verder bekend stond als een luidruchtig heerschap. In zijn reisverslag schrijft hij dat er voortdurend naar hem gestaard en over hem gefluisterd werd. De tweede grote attractie van de kermis noemt Trollope de draaimolens, die, in vergelijking tot wat hij in Engeland gewend was, van enorme afmetingen waren. De houten paarden waren in groepjes van drie aan elkaar gezet, paarden, leeuwen en eenhoorns. Enigszins tot zijn verbazing moet hij constateren dat niet alleen kinderen in de draaimolen plaats nemen. Hij zag verschillende volwassen vrouwen van 25 jaar en ouder zorgeloos pret maken, de oudere vrouwen zogenaamd de kinderen begeleidend, ``pretending to protect the children, but enjoying the motion with sober delight’’. En Trollope zou Trollope niet zijn als hij op zijn beurt niet met die jonge leuke vrouwen zou willen meedoen. Zo zag hij een ``demure Dutch damsel’’ [een ingetogen Nederlandse juffrouw] met wie hij wel één van de houten griffioenen had willen bestijgen. Maar het ontbrak hem aan durf haar te vragen.

Over de bezoekers van de Amsterdamse kermis zegt Trollope dat hem opviel dat bijna iedereen in streekdracht was. ``The whole city was full of people in strange rural costumes, - the women wearing huge awkward gold ornaments upon their faces, broad pendants of gold hanging from machinery fixed carefully under their caps and round their heads, and bands of gold across their foreheads, - with high square-topped bonnets’’. Het zijn de befaamde gouden oorijzers, gecomplementeerd met vierkanten mutsjes. Hij vond het merkwaardig dat Nederlandse vrouwen zich nog steeds in de dracht van hun grootmoeder wilden hullen. In Engeland waren de streekdrachten allang uitgestorven. Mogelijk gingen het om bezoekers van buiten Amsterdam. Het is bekend dat de Amsterdamse kermis bezoekers uit de hele regio trok – tot Haarlem en Utrecht toe.

 

Foul of smells

Trollope’s verslag geeft zo een aardig beeld van Amsterdam anno 1862. Amsterdam noemt hij pittoresk, maar ook een stad met heel veel herrie en stank, ``a city foul of smells’’. We kunnen ons afvragen of Londen nu zo veel minder gestonken zal hebben. Tegelijk zegt Trollope’s verslag in feite net zoveel over Amsterdam en de Amsterdammers als over Trollope zelf. Zijn visie op de Nederlanders, die hij ziet als kleine Engelsmannetjes met vreemde Franse hoedjes, laat zien dat hij zijn eigen landgenoten als uitgangspunt neemt in de beschrijving van het vreemde Nederlandse buurvolk. Ook heeft hij bijvoorbeeld uitgesproken opvattingen over hoe mensen zich in de kerk moeten gedragen: in zijn eigen anglicaanse kerk waren ze volgens hem een stuk beschaafder. En altijd en eeuwig zijn er de jonge vrouwen met wie Trollope zo graag wil flirten. Eigenlijk had Trollope het wel naar zijn zin in Holland. De Nederlanders zelf zullen ondertussen vreemd hebben opgekeken van die curieuze Engelsman, die eerst, geheel en al naakt, zich te diep in zee waagde, vervolgens in Broek de plaatselijke gidsen tegen zich in het harnas joeg en zich tenslotte op de Amsterdamse kermis ontpopte als een opvallende figuur. Dankzij het verslag dat hij in The Cornhill Magazine liet afdrukken hebben wij er weet van.

In Nederland weet ondertussen bijna niemand meer wie Trollope is. Alleen Maarten ’t Hart schijnt zijn verzamelde werken gelezen te hebben, waarvan hij op aanstekelijke wijze verslag doet in zijn essaybundel De som van misverstanden. Tijdens zijn militaire diensttijd moest hij elke dag twintig minuten heen en weer reizen tussen huis en kazerne. Hij berekende dat hij driehonderd dagen in de trein zou zitten en bij elkaar 12.000 minuten zou moeten opvullen met lezen. Hij zocht naar een schrijver die deze tijd kon volmaken en hij vond Anthony Trollope. ’t Hart schrijft dat hem tijdens het lezen met regelmaat de tranen over de wangen rolden van het lachen. Welke uitgever wil eens de moeite nemen om enkele van zijn vele boeken te vertalen?

Literatuur

Anthony Trollope’s `My tour in Holland’ werd afgedrukt in The Cornhill Magazine van november 1862, bladzijde 616-622. Het tripje wordt kort vermeld in de biografieën van R.H. Super, The chronicler of Barsetshire. A life of Anthony Trollope (Ann Arbor 1988) 151-152 en N. John Hall, Trollope. A biography (Oxford/New York 1993) 245.

Trollope werd al in de negentiende eeuw vertaald in het Nederlands. De Universiteitsbibliotheek Amsterdam beschikt over de meest uitgebreide collectie

De Bertrams: een verhaal (Sneek 1860) 2 dl.
De Doctor (Amsterdam 1860) 3 dl
Het kasteel Richmond (Amsterdam 1861) 2 dl
De aanklacht van meineed (=Orley farm) (Amsterdam 1864) 2 dl
Het kleine huis te Allington (Deventer 1866) 3 dl
Het huis Belton (Dordrecht 1867)
Kunt gij ’t haar vergeven? (Amsterdam 1867) 3 dl
De Claverings (Dordrecht 1867) 2 dl
De verloren wissel (D.A. Thieme 1869)
Phineas Finn (Martinus Nijhoff 1870)
Wie heeft gelijk? (Schiedam 1870) 3 dl
Het hotel der gouden leeuw (Amsterdam 1872)
De predikant van Bullhampton (Schiedam 1872) 2 dl
De diamanten der familie Eustace (Groningen 1874/75) 3 dl
Reis door Australië en Nieuw Zeeland (1875)
De liefde van een ouden vrijer (Gouda 1885)
De land-ligers: roman (Haarlem 1885)


In feuilleton of verhaalvorm verschenen in Nederlandse kranten:
Oog om oog, in: De Locomotief jrg. 1879
De reis naar Thompson Hall (= Christmas at Thompson Hall) in: Bat. Handelsblad jrg. 1883
Naar Huis (= Returning Home) in: Algemeen Handelsblad jrg. 1885
Alice Dugdale, in: Het Nieuws van den Dag jrg. 1889
Aaron Trow, in: Het Nieuws van den Dag jrg. 1889

In de twintigste eeuw in Nederlandse vertaling:
Oog om oog (Davidsfonds Leuven, 1955)
De reis naar Panama, in: Victoriaanse vertellingen (1980)
Een autobiografie (Amsterdam 1988)